De kelner bereidde aan de tafel van de gasten een mayonaise met eieren, mosterd, zout, peper, gehakte uien en peterselie, kappertjes, Engelse saus, ansjovis, look en meestal wat citroen, vervolgens mengde hij dit met het gehakte rundvlees; vergezeld door frieten, waterkers of tuinkers, uien en augurken in azijn. Dit gerecht van Franse herkomst werd in België rond de jaren 1920 vaak bereid onder de naam ‘Steak Tartare’.

Het probleem was echter dat de kelner of de maître d’hôtel deze bereiding, volgens zijn humeur, ofwel te pittig ofwel te flauw kruidde.

Toen mijn overgrootvader, hoofd van het restaurant ‘La Taverne Royale’ in de Sint- Hubertusgalerij, het taverne-restaurant ‘Canterbury’ aan de Emile Jacqmainlaan nr. 129 in 1926 opende, besloot hij een andere bereidingswijze voor de steak tartare te bedenken die hij ‘Filet Américain’ doopte.

Aangezien de ‘Canterbury’ een school geworden was voor veel Belgische koks, werd het recept stilaan in heel België overgenomen.

Bovendien wordt het recept nu in de keuken bereid, waar het nauwkeuriger gekruid wordt dan wanneer het zaalpersoneel het aan tafel kwam klaarmaken.